Naar inhoud springen

matte

Uit WikiWoordenboek
  • mat·te
  • mat met de uitgang -e

matte

  1. verbogen vorm van de stellende trap van mat
vervoeging van
matten

matte

  1. enkelvoud verleden tijd van matten
    • Ik matte. 
    • Jij matte. 
    • Hij, zij, het matte. 
  2. aanvoegende wijs van matten


vervoeging van
matter

matte

  1. eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van matter
  2. eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van matter
  3. tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van matter


enkelvoud meervoud
nominatief mattematten
genitief mattenmatten
datief mattenmatten
accusatief mattematten

matte v [1]

  1. mat; vloerbekleding