maten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ma·ten

Werkwoord

vervoeging van
meten

maten

  1. meervoud verleden tijd van meten
    • Wij maten. 
    • Jullie maten. 
    • Zij maten. 

Zelfstandig naamwoord

maten mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord maat
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Deens

Woordafbreking
  • ma·ten

Zelfstandig naamwoord

maten, g

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat


Noors

Woordafbreking
  • ma·ten
Naar frequentie 1048

Zelfstandig naamwoord

maten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat


Nynorsk

Woordafbreking
  • ma·ten

Zelfstandig naamwoord

maten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van mat


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
matar

maten

  1. aanvoegende wijs derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van matar
  2. gebiedende wijs (bevestigend en ontkennend) derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van matar