dof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dof
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dof doffer dofst
verbogen doffe doffere dofste
partitief dofs doffers -

Bijvoeglijk naamwoord

dof [2]

  1. zonder weerschijn, zonder glans (van oppervlakten)
    Na lang poetsen kregen de doffe schoenen hun glans terug.
  2. niet helder en met weinig hoge tonen (van geluiden), maar wel luid
    We horen een dof gerommel in de verte.
  3. lusteloos, futloos, mat, duf
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dof doffen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dof m [4]

  1. slag, stoot

Werkwoord

vervoeging van
doffen

dof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    Ik dof.
  2. gebiedende wijs van doffen
    Dof!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    Dof je?
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandse taal