dof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dof
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen dof doffer dofst
verbogen doffe doffere dofste
partitief dofs doffers -

Bijvoeglijk naamwoord

dof [2]

  1. zonder weerschijn, zonder glans (van oppervlakten)
    • Na lang poetsen kregen de doffe schoenen hun glans terug. 
  2. niet helder en met weinig hoge tonen (van geluiden), maar wel luid
    • We horen een dof gerommel in de verte. 
  3. lusteloos, futloos, mat, duf
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord dof doffen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

dof m [4]

  1. slag, stoot

Werkwoord

vervoeging van
doffen

dof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    • Ik dof. 
  2. gebiedende wijs van doffen
    • Dof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doffen
    • Dof je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen