tam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tam
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘niet wild’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen tam tammer tamst
verbogen tamme tammere tamste
partitief tams tammers -

Bijvoeglijk naamwoord

tam

  1. (dierkunde) gewend aan omgang met mensen
    • Zij hadden een tamme kraai. 
  2. (figuurlijk) saai, slaapverwekkend
Antoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Kabylisch

Telwoord (kab)
0
1 11 10
2 12
3 13
4 14
5 15
6 16
7 17
8 18 80
9 19

Hoofdtelwoord

tam

  1. acht


Lets

  enkelvoud meervoud
naamval m v m v
nominatief tas tie tās
genitief tās to to
datief tam tai tiem tām
accusatief to to tos tās
instrumentalis ar to ar to ar tiem ar tām
locatief tajā; tai; tanī tajā; tai; tanī tajos; tais; tanīs tajās; tais; tanīs

Aanwijzend voornaamwoord

tam

  1. aan die (dat), voor die (dat), datief enk van tas dat verwijst naar een mannelijk woord

Bijwoord

tam

  1. zo ...