haan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

haan van Gallus gallus domesticus
Uitspraak
Woordafbreking
  • haan
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘mannetje bij hoenderachtigen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord haan hanen
verkleinwoord haantje haantjes

Zelfstandig naamwoord

haan m

  1. (vogels) mannelijk dier bij de hoenderachtige vogels
    • De haan kraaide ons vroeg wakker. 
  2. het onderdeel van een vuurwapen dat een slaande beweging maakt als de trekker wordt overgehaald
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Haantje de voorste
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Anglo-Normandisch

Zelfstandig naamwoord

haan

  1. ontbering, lijden
  2. leed, ellende
Schrijfwijzen