kip

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
kip

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kip
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoendervogel’ voor het eerst aangetroffen in 1588 [1]
  • [2] [3] [4] [5]
enkelvoud meervoud
naamwoord kip kippen
verkleinwoord kippetje
kipje
kippetjes
kipjes

Zelfstandig naamwoord

kip v

  1. (vogels) Gallus gallus op Wikispecies, (vrouwelijke) gedomesticeerde vogel uit de familie van de hoenderachtigen [6]
  2. (voeding) kippenvlees
     Barbie en ik sloten ons uren op in de keuken om het feestmaal voor te bereiden. Hij concentreerde zich op het maken van taco’s en ik stortte me op een spinaziesalade, vol noten, geitenkaas en kip.[7]
  3. (scheldwoord) politieagent [8]
  4. munteenheid van Laos, eigenlijk Laotiaanse kip (code LAK volgens ISO 4217) [9]
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Als de vos de passie spreekt, boer pas op je kippen (ganzen).
pas op voor slijmballen, ze willen altijd wat van je; als een bedrieger vrome dingen zegt moet je extra voorzichtig met deze persoon zijn
  • Als een kip zonder kop
zonder beraad, onbesuisd, ongericht
  • De kip met gouden eieren slachten
Een iets met veel rendement wegdoen
  • Er als de kippen bij zijn
er snel bij zijn
  • Het ei wil wijzer zijn dan de kip.
het kind denkt het beter te weten dan de ouder
  • Met de kippen op stok gaan
vroeg naar bed gaan
  • kip, ik heb je! [10]
Vertalingen
Vertalingen

Verwijzingen

Werkwoord

vervoeging van
kippen

kip

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kippen
    • Ik kip. 
  2. gebiedende wijs van kippen
    • Kip! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kippen
    • Kip je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be