hanig
Uiterlijk
- ha·nig
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | hanig | haniger | hanigst |
| verbogen | hanige | hanigere | hanigste |
| partitief | hanigs | hanigers | - |
hanig
- van een persoon dat hij op een heel mannelijke manier de baas wil zijn
- De vrouwen zijn het hanige gedrag van hun mannen helemaal zat en hebben ze dan ook verboden om nog te gaan motorrijden.
- Het woord hanig staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "hanig" herkend door:
| 88 % | van de Nederlanders; |
| 74 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be