ontbering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

monument voor hen die o.a. door ontberingen zijn overleden in kamp Amersfoort
Uitspraak
Woordafbreking
  • ont·be·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ontbering ontberingen
verkleinwoord ontberinkje ontberinkjes

Zelfstandig naamwoord

ontbering v

  1. het missen van zaken die noodzakelijk zijn om voort te kunnen leven
    • Een van de residenten in het Smak kreeg vorige week te horen dat zijn vader in Mosul van ontbering gestorven is. De Afghaan Bashir moest vernemen dat zijn broer teruggestuurd is.’ [1] 
    • De voldoening overheerst echter en het onthaal in het 'Fiat-dorp' Garlenda was overweldigend. Met een erehaag van Fiatjes en de schijnwerpers vol op Gijs en Gregor. Inmiddels zijn ze een paar dagen terug in de Achterhoek. Ze hadden de trip vol ontberingen niet willen missen. [2] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Standaard ZATERDAG 12 AUGUSTUS 2017
  2. Tubantia Gert Kramer 01-08-2017