ik

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Naar frequentie 1
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: ic
Oudnederlands: ik
Germaans: *ek, *ik
Indo-Europees: *éǵh₂-
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: I (Angelsaksisch: ih, ic, iċ), Duits: ich, (Oudhoogduits: ih), Fries: ik (Oudfries: ik)
Noord: Zweeds: jag, Deens/Noors: jeg (Nynorsk: eg, Oudnoors: ek, jak), IJslands: eg, ég, Faeröers: eg, jeg
Oost: Gotisch: ik

Persoonlijk voornaamwoord

ik eerste persoon enkelvoud

  1. nominatief (onderwerp), verwijst naar de spreker of schrijver.
    Ik zing dit lied voor jou.
Citaten

Ik kwam, ik zag, ik overwon

Spreekwoorden

Ik kwam, ik zag, ik overwon

Vertalingen


Gotisch

enkelvoud tweevoud meervoud
nominatief ik wit weis
accusatief mik ugkis uns/unsis
genitief meina ugkis unsara
datief mis *ugkara uns/unsis

Persoonlijk voornaamwoord

ik

  1. ik (nominatief van de eerste persoon enkelvoud)


Kaqchikel

Zelfstandig naamwoord

ik

  1. zon


Nedersaksisch

Uitspraak

Voornaamwoord

ik

  1. ik
  2. eerste persoon enkelvoud, verwijst naar de spreker of schrijver.
Verwante begrippen
  • mien (bezittelijk, my, mine); mi (meewerkend of lijdend voorwerp, me); wi (meervoud, we).
Citaten

Ik keem, ik keek, ik wun

Spreekwoorden

Ik keem, ik keek, ik wun


Tobiaans

Zelfstandig naamwoord

ik

  1. vis