ik

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Oud indo-europese stam

Persoonlijk voornaamwoord

ik eerste persoon enkelvoud

  1. nominatief (onderwerp), verwijst naar de spreker of schrijver.
    Ik zing dit lied voor jou.
Citaten

Ik kwam, ik zag, ik overwon

Spreekwoorden

Ik kwam, ik zag, ik overwon

Vertalingen


Nedersaksisch

Uitspraak

Voornaamwoord

ik

  1. ik
  2. eerste persoon enkelvoud, verwijst naar de spreker of schrijver.
Verwante begrippen
  • mien (bezittelijk, my, mine); mi (meewerkend of lijdend voorwerp, me); wi (meervoud, we).
Citaten

Ik keem, ik keek, ik wun

Spreekwoorden

Ik keem, ik keek, ik wun


Tobiaans

Zelfstandig naamwoord

ik

  1. vis
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/ik"
Persoonlijke instellingen