je
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| Naar frequentie | 2 |
|---|
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k |
mij me |
wij we |
ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je |
jou je |
jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge |
u | gij ge |
u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie |
hem 'm |
zij ze |
(dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze |
haar 'r, d'r |
||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't |
het 't |
||
Uitspraak
- Geluid: je (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /jə/
- (Vlaanderen, Brabant, Limburg): /jə/
Woordafbreking
- je
Persoonlijk voornaamwoord
je tweede persoon enkelvoud informeel
- onbenadrukte vorm van jij.
- Je hebt een leuke partner. (onderwerp).
- Wat zoek je?
- onbenadrukte vorm van jou.
- Iedereen kent je (lijdend voorwerp).
- Ik geef het je morgen wel (meewerkend voorwerp).
- Ze houden van je (na voorzetsel).
Onbepaald voornaamwoord
- informeel voor onbepaald men.
- Je weet nooit wat er kan gebeuren. (onderwerp)
- Het zal je maar gebeuren. (meewerkend voorwerp)
- Dat is beter voor je. (na voorzetsel)
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| verplicht | keuze | verplicht | keuze | |
| 1e persoon | mij me |
mijzelf mezelf |
ons | onszelf |
| 2e persoon (informeel) |
je | jezelf | je | jezelf |
| 2e persoon (formeel) |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
| 2e persoon (regionaal) |
u | uzelf | u | uzelf |
| 3e persoon |
zich | zichzelf | zich | zichzelf |
Wederkerend voornaamwoord
- wordt gebruikt bij de tweede persoon enkelvoud- en meervoud.
- Jij kleedt je aan.
- Jullie wassen je.
Opmerkingen
- Deze vorm wordt gebruikt als de reflexiviteit verplicht is, dat wil zeggen dat het werkwoord alleen als wederkerend gebruikt kan worden. Ook optioneel wederkerende werkwoorden kunnen het gebruiken maar voor deze is jezelf gebruikelijker.
Verwante begrippen
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Bezittelijk voornaamwoord
je
- tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw.
- Heb je problemen met je pc?
- Spreek je moerstaal!
- tweede persoon meervoud onbenadrukte vorm van jullie.
- Hebben jullie je moeder nog bezocht?
Vertalingen
1. tweede persoon enkelvoud onbenadrukte vorm van jouw
Frans
| nominatief | genitief | datief | accusatief | benadrukt |
|---|---|---|---|---|
| je | mon / ma / mes |
moi | me | moi |
Uitspraak
Persoonlijk voornaamwoord
je (j') eerste persoon enkelvoud
.Je vais à la mer avec toi.
- Ik ga met je naar zee.
Slowaaks
Uitspraak
Werkwoord
je
Tsjechisch
Werkwoord
je
- derde persoon tegenwoordige tijd enkelvoud van být:is
- «Česká republika je země v Evropě.»
- 'Tsjechische Republiek is een land in Europa.'
- «Česká republika je země v Evropě.»
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Persoonlijk voornaamwoord in het Nederlands
- Onbepaald voornaamwoord in het Nederlands
- Wederkerend voornaamwoord in het Nederlands
- Bezittelijk voornaamwoord in het Nederlands
- Woorden in het Frans
- Persoonlijk voornaamwoord in het Frans
- Woorden in het Slowaaks
- Werkwoord in het Slowaaks
- Woorden in het Tsjechisch
- Werkwoord in het Tsjechisch