der

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • der

Lidwoord

der

  1. genitief meervoud van de bepaalde lidwoorden de, het
    Het Koninkrijk der Nederlanden.
  2. genitief en datief vrouwelijk enkelvoud van het bepaalde lidwoord de
Vertalingen


Duits

Uitspraak
  • IPA: /deːɐ̯/
Woordafbreking
  • der

Lidwoord

der

  1. nominatief enkelvoud mannelijk van van het bepaald lidwoord
    «Der Mann ist hübsch.»
    De man is mooi.
  2. genetief enkelvoud vrouwelijk van het bepaald lidwoord
  3. genetief meervoud vrouwelijk van het bepaald lidwoord
  4. datief enkelvoud vrouwelijk van het bepaald lidwoord


Middelnederlands

m v o mv
nominatief die die dat die
genitief des der des der
datief dien der dien dien
accusatief dien die dat die

Lidwoord

der

  1. genitief v en mv van het bepaald lidwoord: der
  2. datief v van het bepaald lidwoord: de


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • der
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord þar.
Naar frequentie 45

Bijwoord

der

  1. daar
    «Jeg kan være der klokka sju.»
    Ik kan om zeven uur daar zijn.

Lidwoord

der

  1. der, waarbij
    «Noen har det som en trivelig hobby der målet er å plukke mest mulig.»
    Sommigen hebben het als een leuke hobby waarbij het ​​doel is zo veel mogelijk te plukken.


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • der
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord þar.

Bijwoord

der

  1. daar

Lidwoord

der

  1. der