les

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een les.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • les
enkelvoud meervoud
naamwoord les lessen
verkleinwoord lesje lesjes

Zelfstandig naamwoord

les v/m

  1. (onderwijs) onderricht gedurende een korte tijd
    Tijdens de les wordt spreken niet getolereerd.
Uitdrukkingen en gezegden
  • lessen volgen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

les

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    lesgeven: Hij gaf les.

Werkwoord

vervoeging van
lessen

les

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
    Ik les.
  2. gebiedende wijs van lessen
    Les!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van lessen
    Les je?


Catalaans

Lidwoord

les v mv

  1. de

Persoonlijk voornaamwoord

les v mv

  1. hen, ze (lijdend voorwerp, vóór het werkwoord)


Deens

Woordafbreking
  • les
Naar frequentie 7041

Werkwoord

les

  1. gebiedende wijs van le

Zelfstandig naamwoord

les,

  1. onbepaalde vorm genitief enkelvoud van le



Frans

Lidwoord

les mv

  1. de (meervoud)
    «Les pommes sont pourris.»
    De appels zijn rot.
  2. de, het (enkelvoud)
    «Les lunettes sont cassées.»
    De bril is kapot.
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
ils leur / leurs leur les y eux
nominatief genitief datief accusatief locatief benadrukt
elles leur / leurs leur les y elles

Persoonlijk voornaamwoord

les mv

  1. hen / ze
Verwante begrippen


Noors

Woordafbreking
  • les
Naar frequentie 1642

Werkwoord

les

  1. lijdende vorm van le

Werkwoord

les

  1. gebiedende wijs van lese


Nynorsk

Woordafbreking
  • les

Werkwoord

les

  1. tegenwoordige tijd van lesa

Werkwoord

les

  1. tegenwoordige tijd van lese