jullie
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k |
mij me |
wij we |
ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je |
jou je |
jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge |
u | gij ge |
u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie |
hem 'm |
zij ze |
(dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze |
haar 'r, d'r |
||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't |
het 't |
||
Woordafbreking
- jul·lie
Woordherkomst en -opbouw
Afkomstig van het vroegere jelui (je + lui.)
Persoonlijk voornaamwoord
jullie
- nominatief (onderwerp)
- Jullie komen als geroepen.
- Konden jullie het makkelijk vinden?
- datief (meewerkend voorwerp)
- De voorzitter zal jullie een medaille opspelden.
- accusatief (lijdend voorwerp)
- Ik nodig jullie uit voor mijn feestje.
Opmerkingen
- Jullie gebruiken we voor kinderen en heel goede bekenden. Anders gebruiken we u, ook in het meervoud.
Vertalingen
1. nominatief
2. datief
3. accusatief
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Bezittelijk voornaamwoord
jullie
- (informeel) tweede persoon meervoud
- Ik ben jullie nieuwe leraar.
Opmerkingen
- Jullie gebruiken we voor kinderen en heel goede bekenden. Anders gebruiken we u, ook in het meervoud.