hit

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Lettergrepen
  • hit
enkelvoud meervoud
naamwoord hit hits
verkleinwoord hitje hitjes

Zelfstandig naamwoord

hit m

  1. een succesvol lied.
    Marco Borsato heeft al vele hits gehad.


Engels

vervoeging
onbepaalde wijs to hit
he/she/it hits
verleden tijd hit
voltooid
deelwoord
hit
onvoltooid
deelwoord
hitting

Werkwoord

hit

  1. slaan
    «One boy hit the other.»
    De ene jongen sloeg de andere.
  2. onzacht in aanraking komen.
    «The ball hit the fence.»
    De bal trof de omheining.
  3. geluk hebben met iets, iets winnen.
    «He hit the jackpot.»
    Hij won de hoofdprijs.
  4. een huurmoord uitvoeren.
    «Hit him tonight and throw the body in the river.»
    Vermoord hem vannacht en gooi het lijk in de rivier.
  5. (kaartspel, blackjack) iemand nog een kaart geven.
    «Hit me.»
    Geef me er een.
  6. (sport) aantreden om te pitchen in honkbal.
    «Jones hit for the pitcher.»
    Jones trad aan om te pitchen.
  7. (informeel) ergens naartoe gaan, langsgaan.
    «We hit the grocery store on the way to the park.»
    We gingen op weg naar het park bij de groentenwinkel langs.
  8. (informeel) openen, in première gaan.
    «The movie hits theaters in December.»
    De film komt in december in de theaters.
  9. (informatica) gebruiken.
    «The external web servers hit DBSRV7, the internal web server hits DBSRV3.»
    De externe webservers gebruiken DBSRV7, de interne webserver gebruikt DBSERV3.
  10. raken, treffen, nadeel berokkenen.
    «The economy was hit by a recession.»
    De economie werd getroffen door een recessie.
  11. (informeel) seks hebben met.
    «I'd hit that.»
    Daar zou ik de koffer mee induiken.
Teruggeplaatst van "http://nl.wiktionary.org/wiki/hit"
Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen