hit
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hit
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hit | hits |
| verkleinwoord | hitje | hitjes |
Zelfstandig naamwoord
hit m
- een succesvol lied
- Marco Borsato heeft al vele hits gehad.
- (informatica) een treffer bij een zoekactie
Engels
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Middelengelse hitten.
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| hit | hits |
Zelfstandig naamwoord
hit
- slag
- (informatica) hit, treffer
- hit
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to hit |
| he/she/it | hits |
| verleden tijd | hit |
| voltooid deelwoord |
hit |
| onvoltooid deelwoord |
hitting |
| gebiedende wijs | hit |
Werkwoord
hit
- slaan
- «One boy hit the other.»
- De ene jongen sloeg de andere.
- «One boy hit the other.»
- onzacht in aanraking komen
- «The ball hit the fence.»
- De bal trof de omheining.
- «The ball hit the fence.»
- geluk hebben met iets, iets winnen
- «He hit the jackpot.»
- Hij won de hoofdprijs.
- «He hit the jackpot.»
- een huurmoord uitvoeren
- «Hit him tonight and throw the body in the river.»
- Vermoord hem vannacht en gooi het lijk in de rivier.
- «Hit him tonight and throw the body in the river.»
- (kaartspel, blackjack) iemand nog een kaart geven
- «Hit me.»
- Geef me er een.
- «Hit me.»
- (sport) aantreden om te pitchen in honkbal
- «Jones hit for the pitcher.»
- Jones trad aan om te pitchen.
- «Jones hit for the pitcher.»
- (informeel) ergens naartoe gaan, langsgaan
- «We hit the grocery store on the way to the park.»
- We gingen op weg naar het park bij de groentewinkel langs.
- «We hit the grocery store on the way to the park.»
- (informeel) openen, in première gaan
- «The movie hits theaters in December.»
- De film komt in december in de theaters.
- «The movie hits theaters in December.»
- (informatica) gebruiken
- «The external web servers hit DBSRV7, the internal web server hits DBSRV3.»
- De externe webservers gebruiken DBSRV7, de interne webserver gebruikt DBSERV3.
- «The external web servers hit DBSRV7, the internal web server hits DBSRV3.»
- raken, treffen, nadeel berokkenen
- «The economy was hit by a recession.»
- De economie werd getroffen door een recessie.
- «The economy was hit by a recession.»
- (informeel) seks hebben met
- «I'd hit that.»
- Daar zou ik de koffer mee induiken.
- «I'd hit that.»
Synoniemen
Hongaars
Uitspraak
- IPA: /hit/
Woordherkomst en -opbouw
- Afgeleid van het werkwoord hisz (geloven).
Zelfstandig naamwoord
hit
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- hit
Woordherkomst en -opbouw
- Afkomstig van het Oudnoorse woord hit.
| Naar frequentie | 180 |
|---|
Bijwoord
hit
Pools
Uitspraak
- IPA: /xit̪/
Zelfstandig naamwoord
hit m
Zweeds
Zelfstandig naamwoord
hit g
Bijwoord
hit
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Informatica in het Nederlands
- Woorden in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Werkwoord in het Engels
- Sport in het Engels
- Informeel in het Engels
- Informatica in het Engels
- Woorden in het Hongaars
- Zelfstandig naamwoord in het Hongaars
- Woorden in het Noors
- Bijwoord in het Noors
- Woorden in het Pools
- Zelfstandig naamwoord in het Pools
- Woorden in het Zweeds
- Zelfstandig naamwoord in het Zweeds
- Bijwoord in het Zweeds