ding
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- ding
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | ding | dingen |
| verkleinwoord | dingetje | dingetjes |
Zelfstandig naamwoord
ding o
- een voorwerp
- (informeel) een meid
- (informeel) een penis
- (verouderd) een samenkomst waar recht gedaan wordt (oorspronkelijke betekenis), zie geding
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
- [1] voorwerp
- [2] stuk, mokkel
- [3] piemel, pik, penis
- [4] geding, beding, bedingen, afdingen, dingboek, dinghuis, dingvrede, dingdag, dingkamer, dingluiden, dingpand, dingplechtig, dingspel, dingstoel, dingwaarder, dingwaarderschap, dingwaardersgerecht
Vertalingen
1. voorwerp
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dingen |
ding
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
- Ik ding.
- gebiedende wijs van dingen
- Ding!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
- Ding je?
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.