hun
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k |
mij me |
wij we |
ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je |
jou je |
jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge |
u | gij ge |
u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie |
hem 'm |
zij ze |
(dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze |
haar 'r, d'r |
||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't |
het 't |
||
Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
- In de officiële grammatica van het Nederlands wordt deze vorm onderscheiden van een accusatief hen. Dit onderscheid (en de vorm hen) is echter historisch gezien geheel kunstmatig [1] In de spreektaal is hun dan ook regelmatig te horen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel.
Persoonlijk voornaamwoord
hun
- persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud datief.
- Ik heb het hun gegeven.
- (spreektaal) Persoonlijk voornaamwoord derde persoon meervoud ook accusatief.
- Ik heb hun gezien.
- Ik heb het aan hun gegeven.
Vertalingen
Referenties
- ↑ "Jan G. Kooij" in the World's Major Languages edt. Bernard Comrie 1990, Oxford University Press ISBN 0-19-520521-9.
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| bijvoeglijk | zelfstandig | bijvoeglijk | zelfstandig | |
| 1e persoon | mijn m'n |
mijne | ons, onze | onze |
| 2e persoon (informeel) |
jouw je |
jouwe | jullie je |
- |
| 2e persoon (formeel) (regionaal) |
uw | uwe | uw | uwe |
| 3e persoon (mannelijk) |
zijn z'n |
zijne | hun | hunne |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
haar d'r |
hare | ||
| 3e persoon (onzijdig) |
zijn (ervan) |
- | ||
Bezittelijk voornaamwoord
hun
- bezittelijk voornaamwoord derde persoon meervoud.
- De mannen hebben hun geweren geladen.
Noors
Uitspraak
Woordafbreking
- hun
Persoonlijk voornaamwoord
hun
- (3e persoon enkelvoud nominatief vrouwelijk), (alleen voor personen en gepersonificeerde begrippen) zij
- «Moren min sa at hun skulle gjøre det.»
- Mijn moeder zei dat ze het zou doen.
- «Moren min sa at hun skulle gjøre det.»