zij
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: zij (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /zɛɪ̯/
- (Vlaanderen, Brabant): /zɛː/
- (Limburg): /zɛɪ̯/
Woordafbreking
- zij
Woordherkomst en -opbouw
|
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k |
mij me |
wij we |
ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je |
jou je |
jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge |
u | gij ge |
u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie |
hem 'm |
zij ze |
(dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze |
haar 'r, d'r |
||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't |
het 't |
||
Persoonlijk voornaamwoord
- 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
- Heeft zij dat gezegd of was het haar echtgenoot?
- 3e persoon meervoud
- Hebben zij dat gedaan of was het de oppositie?
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
- Clitische vorm: ze.
Verwante begrippen
Vertalingen
1. 3e persoon enkelvoud vrouwelijk
2. 3e persoon meervoud
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zij | (zijden) |
| verkleinwoord | zijtje | zijtjes |
Zelfstandig naamwoord
- (anatomie) één van beide kanten van een lichaam.
- Hij lag niet op zijn zij, maar op zijn rug.
Synoniemen
Werkwoord
zij
- aanvoegende wijs tegenwoordige tijd enkelvoud van zijn.
- Het zij zo!