das
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Universeel
Woordherkomst en -opbouw
Symbool
das
- (tijdrekening), (natuurkunde), (eenheid) het symbool voor decaseconde, een tijdseenheid van 101 seconde
Verwante begrippen
| eenheden van tijd |
|---|
| ys • zs • as • fs • ps • ns • μs • ms • cs • ds • s • das • hs • ks • Ms • Gs • Ts • Ps • Es • Zs • Ys |
| a • ha • ka • Ma • Ga |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- das
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | das | dassen |
| verkleinwoord | dasje | dasjes |
Zelfstandig naamwoord
das m
- (dierkunde) Meles meles
, marterachtig roofdier - (kleding) lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
- (kleding) een langwerpige en brede lap stof om de hals
- strop.
Synoniemen
Verwante begrippen
- [1] marter
Uitdrukkingen en gezegden
Iemand de das omdoen.
- Iets iemand noodlottig worden.
Vertalingen
1. marterachtig roofdier
2. lange, smalle reep stof die onder de kraag van het overhemd wordt vastgeknoopt
3. een langwerpige en brede lap stof om de hals
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Duits
Uitspraak
- IPA: /das/
Woordafbreking
- das
Lidwoord
das
- het (nominatief en accusatief enkelvoud onzijdig van van het bepaald lidwoord)
- «Das Haus ist eingestürzt.»
- Het huis is ingestort.
- «Das Haus ist eingestürzt.»
Aanwijzend voornaamwoord
das
- dat
- «Das glaube ich nicht.»
- Dat kan ik niet geloven.
- «Das glaube ich nicht.»
Betrekkelijk voornaamwoord
das
- dat (nominatief en accusatief enkelvoud onzijdig van van het betrekkelijk voornaamwoord)
- «Das Mädchen, das gestern noch zur Schule ging, liegt heute im Krankenhaus.»
- Het meisje, dat gisteren nog op school zat, is nu in het ziekenhuis.
- «Das Mädchen, das gestern noch zur Schule ging, liegt heute im Krankenhaus.»
Fijisch Hindoestani
| Telwoord (hif) | ||||
|---|---|---|---|---|
| 1 | 11 | 10 | 100 | 103 |
| 2 | 12 | 20 | 200 | 106 |
| 3 | 13 | 30 | 300 | |
| 4 | 14 | 40 | 400 | |
| 5 | 15 | 50 | 500 | |
| 6 | 16 | 60 | 600 | |
| 7 | 17 | 70 | 700 | |
| 8 | 18 | 80 | 800 | |
| 9 | 19 | 90 | 900 | |
Hoofdtelwoord
das
Spaans
Werkwoord
| vervoeging van |
|---|
| dar |
das
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van dar.
Categorieën:
- Universeel
- Symbool
- Tijdrekening
- Natuurkunde
- Eenheid
- Woorden in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Dierkunde in het Nederlands
- Kleding in het Nederlands
- Marterachtigen in het Nederlands
- Woorden in het Duits
- Lidwoord in het Duits
- Aanwijzend voornaamwoord in het Duits
- Betrekkelijk voornaamwoord in het Duits
- Woorden in het Fijisch Hindoestani
- Hoofdtelwoord in het Fijisch Hindoestani
- Woorden in het Spaans
- Werkwoordsvorm in het Spaans