mij

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't

Persoonlijk voornaamwoord

mij

  1. accusatief en datief van ik, eerste persoon enkelvoud.
    Hij ontsloeg mij.
    Hij gaf mij een baan.
  2. vorm van ik na een voorzetsel.
    Van mij hoef je niets te vrezen.
    Ze kocht een mooi cadeautje speciaal voor mij.
Gelijkklinkende woorden
Afgeleide begrippen
Vertalingen
  enkelvoud meervoud
verplicht keuze verplicht keuze
1e persoon mij
me
mijzelf
mezelf
ons onszelf
2e persoon
(informeel)
je jezelf je jezelf
2e persoon
(formeel)
zich zichzelf zich zichzelf
2e persoon
(regionaal)
u uzelf u uzelf
3e persoon
zich zichzelf zich zichzelf

Wederkerend voornaamwoord

  1. eerste persoon enkelvoud.
    zich vergissen: ik vergiste mij.



Skolt-Sami

Persoonlijk voornaamwoord

mij

  1. wij