Uit WikiWoordenboek
die (m enk, v enk en mv)
- wijst iets of iemand aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
- (m enk) Die auto scheurt tegen een ongehoorde snelheid over de autosnelweg.
- (v enk) Die staking heeft nu lang genoeg geduurd: de arbeiders hervatten het werk.
- (mv) Die honden in dat asiel worden daar onrechtvaardig behandeld.
- ter aankondiging van een bepaling
- (m enk) Ken je de echtgenoot van Sofie? Die heeft haar bedrogen!
- (v enk) Ik ga niet meer bij die kapster, die heeft mijn haar slecht geknipt.
- (mv) De mensen die daar wonen, die hebben hun bouwgrond allemaal spotgoedkoop gekocht.
1. wijst iets aan dat zich niet in de onmiddellijke nabijheid van de spreker bevindt
2. ter aankondiging van een bepaling
die (m enk, v enk en mv)
- in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
- (m enk) De man die je me voorstelde, had ik al eerder ontmoet.
- (v enk) Je secretaresse die opgestapt is omdat je secretaressedag vergeten was, heeft al een nieuwe baan.
- (mv) De duiven die je op pleinen in grootsteden vindt, zijn volledig gewend aan de aanwezigheid van mensen.
1. in een bijzin die het nog niet geheel bekende antecedent nader bepaalt
die
- de, het
die v enk (nom en acc)
- de, het
- (nom) Sie war die Frau des Präsidenten. – Ze was de vrouw van de president.
- (acc) Ich sehe die Frau des Präsidenten. – Ik zie de vrouw van de president.
die mv (nom en acc)
- de (meervoud)
- (nom) Die Männer fällten Bäume. – De mannen velden bomen.
- (acc) Ich fällte die Bäume. – Ik velde de bomen.
die
- die
- Ich kenne eine Frau, die das kann. – Ik ken een vrouw, die dat kan.
die
- sterven
die
- ablatief enkelvoud van dies