hebben

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak

Lettergrepen
  • heb·ben
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hebben
had
gehad
volledig

Werkwoord

hebben

  1. (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
  2. als onderdeel hebben, omvatten, bevatten: een auto heeft vier wielen
  3. lijden aan: Hij heeft aids
  4. in dienst hebben: Het bedrijf heeft 50 werknemers
  5. de ouder zijn van: Hij heeft drie kinderen
  6. in zijn macht hebben: De rebellen hebben de hoofdstad, De politie heeft de verdachte
  7. als taak zich bezig moeten houden met: Klas 2C heeft nu Frans, Dhr. Anthonis heeft deze klant
  8. overweg kunnen met: Ik kan hem niet hebben
  9. weerstaan, doorstaan: Die vertraging kunnen we er niet meer bij hebben, Dit team kunnen we hebben
  10. willen hebben: toestaan, dulden, positief staan tegenover

Vertalingen

Werkwoord

hebben;

  1. hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
  2. hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren

Vertalingen

voor voltooide tijd

moeten

Aspecten/acties
Persoonlijke instellingen