hebben

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van:
Middelnederlands: hebben
Oudnederlands: hebban

De verdere etymologie is niet geheel zeker:

Germaans: *habjanan, *haf- (in dit geval verwant met heffen; de betekenis is dan afgezwakt van "vasthouden, in bezit houden" naar "bezitten" en die van het hulpwerkwoord). Of: *ghebh- (in dit geval verwant met geven).
Indo-Europees: *kap- , of: *ghab(h)-
  • Verder verwant in Germaans:
West: Engels: have (Angelsaksisch: habban, hafian), Duits: haben, (Oudhoogduits: habēn), Jiddisch: האָבן (hobn), Fries: hawwe (Oudfries: hebba, habba, hava)
Noord: Zweeds: hava, Deens/Noors: have (Oudnoors: hafa), IJslands: hafa, Faeröers: hava
Oost: Gotisch: haban
  • Mogelijk verwanten in andere Indo-Europese talen:
(Indien te herleiden tot PIE *ghab(h)-) Latijn: habere, Litouws: gabenti, Oudiers: gaibid
(Indien te herleiden tot PIE *kap-) Grieks: κάπτειν, Latijn: capere
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hebben
had
gehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

[A] hebben

  1. (hulpwerkwoord) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden
  2. (absoluut) (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten
    Ik heb een mooi huis.
  3. (absoluut) als onderdeel hebben, omvatten, bevatten
    Een auto heeft vier wielen.
  4. (absoluut) lijden aan
    Hij heeft aids.
  5. (absoluut) in dienst hebben
    Het bedrijf heeft 50 werknemers.
  6. (absoluut) de ouder zijn van
    Hij heeft drie kinderen.
  7. (absoluut) in zijn macht hebben
    De rebellen hebben de hoofdstad.
    De politie heeft de verdachte.
  8. (absoluut) als taak zich bezig moeten houden met
    Klas 2C heeft nu Frans.
    Dhr. Anthonis heeft deze klant.
  9. (absoluut) overweg kunnen met
    Ik kan hem niet hebben.
  10. (absoluut) weerstaan, doorstaan
    Die vertraging kunnen we er niet meer bij hebben.
    Dit team kunnen we hebben.
  11. (absoluut) een relatie hebben
    Hij heeft met Linda.
  12. (absoluut) ~ te: moeten, verplicht zijn
    Dat heb je maar te doen!
  13. (absoluut) ~ over: als onderwerp van gesprek hebben
    Waar heeft u het eigenlijk over?
  14. (absoluut) ~ aan: van nut zijn
    Daar heb je helemaal niets aan.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: behoefte aan iets hebben
  • [1]: het mis hebben
  • [7]: grip hebben op iets
  • [7]: het op iets gemunt hebben
  • [9]: het moeilijk hebben met iets
Typische woordcombinaties
  • [1]: bij zich hebben[1]
Verwijzingen
  1. bijhebben / bij zich hebben
Opmerkingen
  • Hoewel het werkwoord in de meeste zelfstandige betekenissen een lijdend voorwerp kan krijgen en daarom soms als overgankelijk gezien wordt, ontbreken lijdende vormen geheel, ook de onpersoonlijke. Verder is het voltooid deelwoord alleen voltooid en nier lijdend. Het kan niet attributief gebruikt worden. (De *gehadde man. <uitgesloten>). Wikiwoordenboek categoriseert het daarom als absoluut.
Vertalingen

Werkwoord

[B] hebben

  1. hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
  2. hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
Vertalingen