hebben
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- heb·ben
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| hebben |
had |
gehad |
| onregelmatig | volledig | |
Werkwoord
hebben
- (hulpwerkwoord) gebruikt voor de vorming van de voltooide tijden.
- (overgankelijk) (rechtmatig of wederrechtelijk) bezitten.
- Ik heb een mooi huis.
- (overgankelijk) als onderdeel hebben, omvatten, bevatten.
- Een auto heeft vier wielen.
- (overgankelijk) lijden aan:.
- Hij heeft aids.
- (overgankelijk) in dienst hebben.
- Het bedrijf heeft 50 werknemers.
- (overgankelijk) de ouder zijn van.
- Hij heeft drie kinderen.
- (overgankelijk) in zijn macht hebben.
- De rebellen hebben de hoofdstad.
- De politie heeft de verdachte.
- (overgankelijk) als taak zich bezig moeten houden met.
- Klas 2C heeft nu Frans.
- Dhr. Anthonis heeft deze klant.
- (overgankelijk) overweg kunnen met.
- Ik kan hem niet hebben.
- (overgankelijk) weerstaan, doorstaan:.
- Die vertraging kunnen we er niet meer bij hebben.
- Dit team kunnen we hebben.
- (overgankelijk) een relatie hebben.
- Hij heeft met Linda.
- willen hebben: toestaan, dulden, positief staan tegenover
- ~ te: moeten, verplicht zijn
- Dat heb je maar te doen!
- ~ over: als onderwerp van gesprek hebben
- Waar heeft u het eigenlijk over?
Opmerkingen
- Hoewel het werkwoord in de meeste zelfstandige betekenissen een lijdend voorwerp kan krijgen en dus als overgankelijk gezien kan worden, ontbreekt de lijdende vorm geheel.
Vertalingen
1. bezitten
|
|
Werkwoord
hebben
- hebben + voltooid deelwoord: hulpwerkwoord van de voltooide tijd
- hebben + te: moeten: Wij hebben dit te accepteren
Vertalingen
voor voltooide tijd
moeten