son

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Engels

enkelvoud meervoud
son sons

Zelfstandig naamwoord

son

  1. (familie) zoon


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • sønn

Zelfstandig naamwoord

son m

  1. (familie) zoon.
    «Han er son til vaktmeisteren.»
    Hij is de zoon van de huisbewaarder.
  2. (sociologie) mannelijk persoon uit dezelfde geboortestreek.
    «Det er kalla opp etter byens store son, Henrik Ibsen.»
    Het is vernoemd naar de grote zoon van de stad, Henrik Ibsen.
Verbuiging
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[1] Faderen, Sonen og Den Heilage Ande

  • De Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

[2] ein son av folket

  • Een zoon des volks.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
ser

son

  1. derde persoon meervoud tegenwoordige tijd (presente) van ser.


Surinaams

Onbepaald voornaamwoord

son

  1. enige


Veluws

Zelfstandig naamwoord

son

  1. zon


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • son

Zelfstandig naamwoord

son g

  1. (familie) zoon
Verbuiging
Afgeleide begrippen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen