hen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hen
Zelfstandig naamwoord
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hen | hennen |
| verkleinwoord | hennetje | hennetjes |
hen v
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen
hen (vogel)
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onderwerp | voorwerp | onderwerp | voorwerp | |
| 1e persoon | ik 'k |
mij me |
wij we |
ons |
| 2e persoon (informeel) |
jij je |
jou je |
jullie | jullie |
| 2e persoon (formeel) |
u | u | u | u |
| 2e persoon (regionaal) |
gij ge |
u | gij ge |
u |
| 3e persoon (mannelijk) |
hij ie |
hem 'm |
zij ze |
(dat.) hun (acc.) hen ze |
| 3e persoon (vrouwelijk) |
zij ze |
haar 'r, d'r |
||
| 3e persoon (onzijdig) |
het 't |
het 't |
||
Persoonlijk voornaamwoord
hen
- persoonlijk voornaamwoord van de derde persoon meervoud in de accusatief (zij) en wordt ook na voorzetsels gebruikt. Voornamelijk beperkt tot verwijzingen naar personen.
-
-
- Hij zag hen in de vergaderingsruimte.
- Met hen ging hij naar naar de conferentie
-
Woordherkomst en -opbouw
- In de officiële grammatica van het Nederlands wordt deze vorm onderscheiden van een datief hun. Dit onderscheid (en de vorm hen zelf) is echter historisch gezien geheel kunstmatig [1] In de spreektaal is hun dan ook regelmatig te horen als lijdend voorwerp of na een voorzetsel en wordt hen vaak vervangen door de clitische vorm ze.
Welsh
Bijvoeglijk naamwoord
hen
Referenties
- ↑ "Jan G. Kooij" in the World's Major Languages edt. Bernard Comrie 1990, Oxford University Press ISBN 0-19-520521-9.