hem

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

  enkelvoud meervoud
onderwerp voorwerp onderwerp voorwerp
1e persoon ik
'k
mij
me
wij
we
ons
2e persoon
(informeel)
jij
je
jou
je
jullie jullie
2e persoon
(formeel)
u u u u
2e persoon
(regionaal)
gij
ge
u gij
ge
u
3e persoon
(mannelijk)
hij
ie
hem
'm
zij
ze
(dat.) hun
(acc.) hen
ze
3e persoon
(vrouwelijk)
zij
ze
haar
'r, d'r
3e persoon
(onzijdig)
het
't
het
't
Uitspraak

Persoonlijk voornaamwoord

hem

  1. accusatief m derde persoon enkelvoud
    Ik zie de man -> ik zie hem.
  2. datief m derde persoon enkelvoud
    Ik geef de man een boek -> ik geef hem een boek.
Vertalingen


Middelnederlands

nominatief genitief datief accusatief
vol clit. vol clit. vol clit. vol clit.
enk 1e ic mijns mi mi
2e du -tu dijns di di
3e m hi -i sijns -es
-s
hem -em
-en
hem -en
-ene
-ne
f si -se haer -ere
-re
-er
haer -ere
-re
-er
haer -se
n het t-
-et
-t
- -es
-s
hem het -et
-t
mv 1e wi onser ons ons
2e ghi -i uwer u u
3e si -se haer -ere
-re
-er
hem
hen
-en hem
hen
-se

Persoonlijk voornaamwoord

hem

  1. datief en accusatief m van de derde persoon enkelvoud: hem
  2. datief o an de derde persoon enkelvoud: eraan, ervoor
  3. datief en accusatief van de derde persoon meervoud: hun, hen, ze

Wederkerend voornaamwoord

hem

  1. zich