-er

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Huidig
bestand
572
Woordafbreking
  • -er
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord -er -ers
verkleinwoord

Achtervoegsel

-er (vormt een zelfstandig naamwoord m)[2]

  1. toegevoegd aan de stam van een overgankelijk of inergatief werkwoord: het agens dat de actie van het werkwoord uitvoert
    arbeider, wekker
  2. toegevoegd aan de eigennaam van sommige plaatsen en gebieden: de aanduiding van een mannelijke inwoner of ingezetene
    Amsterdammer, Limburger
  3. instrument waarmee de handeling wordt verricht die het grondwoord noemt
    gieter, prikker

-er (vormt een bijvoeglijk naamwoord)[3]

  1. toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord: de vergelijkende vorm
    aardiger, groter
  2. toegevoegd aan de eigennaam van sommige plaatsen en gebieden: ter aanduiding van wat daar vandaan komt of er betrekking op heeft
    een Amelander kaas, het Groninger museum

-er (vormt een werkwoord)[4][5]

  1. (verouderd) toegevoegd direct na de stam van een werkwoord, voor een eventuele uitgang levert het een frequentatief op, dat herhaling en intensiteit uitdrukt
    Zij knipperde met haar ogen toen ze uit de donkere berging weer in de hel verlichte keuken kwam.
Verwante begrippen
  • [zelfstandig naamwoord 1,2] -ster (vrouwelijk), -ers (meervoud)
  • [bijvoeglijk naamwoord 1] -st (overtreffende trap), -s (partitief)
  • [bijvoeglijk naamwoord 2] -s
  • [werkwoord] -el
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal
  3. Woordenboek der Nederlandse taal
  4. e-ANS 12·2·1·4·3 : Het achtervoegsel -er geraadpleegd 2014-05-18
  5. Schönfeld, M. (ed. A. van Loey) Historische grammatica van het Nederlands (1970) 8e druk; N.V. W.T. Thieme & Cie in par. 191 (blz. 237);geraadpleegd 2014-05-18