-er
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
| Huidig bestand |
|---|
| 275 |
Woordafbreking
- -er
Woordherkomst en -opbouw
- [1] Van het oud Nederlandse *-āri, -ere, van het Proto-Germaanse *-ārijaz, geleend van het Latijnse -ārius
- [2] Van het oud Nederlandse -iro, -oro, van het Proto-Germaanse *-izô, *-ōzô.
- [3,4] Van het oud Nederlandse *-āri, van het Proto-Germaanse *warjaz [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | -er | -ers |
| verkleinwoord |
Achtervoegsel
-er m
- toegevoegd aan de stam van een werkwoord, levert het een zelfstandig naamwoord die het onderwerp is die de actie uitvoert van dat werkwoord (bv. arbeider)
- toegevoegd vormt het een zelfstandig naamwoord ter aanduiding van mannelijke inwoners of ingezetenen van een plaats. (bv. Amsterdammer)
- instrument waarmee de handeling wordt verricht die het grondwoord noemt
-er
- toegevoegd aan een bijvoeglijk naamwoord, levert het de vergelijkende vorm (bv. aardiger)
- toegevoegd vormt het een bijvoeglijk naamwoord ter aanduiding van iets dat afkomstig is van een plaats. (bv. Groninger: Het Groninger museum) (van, uit, betreffende de genoemde plaats)