zin

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zin zinnen
verkleinwoord zinnetje zinnetjes

Zelfstandig naamwoord

zin m

  1. (taalkunde) een serie woorden die gezamenlijk in syntactisch verband een afgerond geheel vormen
    De meeste zinnen bevatten een gezegde en een onderwerp, vaak aangevuld met voorwerpen en bepalingen.
  2. een verlangen om iets te doen
    Ik heb zin in een lekkere bak koffie.
  3. dat wat iets betekent, waar iets voor staat
    Bedoel je het woord "vertrek" in de zin van "kamer" of in de zin van "weggaan"?
  4. een reden voor bestaan, bestaansreden, betekenis
    Het reilen en zeilen van van kleinkinderen gaf zijn leven ondanks alle ongemak toch zin.
  5. mogelijkheid om waar te nemen m.b.v. een zintuig bijv. evenwichtszin, reukzin, kleurenzin etc.
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

[2] Iemand z'n zin geven.

  • Doen wat iemand wenst.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zinnen

zin

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
    Ik zin.
  2. gebiedende wijs van zinnen
    Zin!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zinnen
    Zin je?

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl