nut

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nut
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘voordeel’ voor het eerst aangetroffen in 1505 [1]
  • [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord nut
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nut o [3]

  1. baat, voordeel; een bijdrage aan het bereiken van een doel
    • Weet jij wat het nut is van die extra uitleg? 
     Toen ik mijn tienjarige zoon vroeg wat hij ervan vond dat ik zo lang weg zou zijn, antwoordde hij: ‘Geen idee, dat weet ik toch pas als je weg bent?’ Grappig vond ik zijn opmerking over het motief van mijn reis: ‘Wat is het nut van je wandeling? Je bereikt en verdient er niks mee.’ Mijn vijftienjarige dochter reageerde net als mijn vrouw pragmatisch en recht door zee.[4]
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Antoniemen
Vertalingen
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen nut nutter nutst
verbogen nutte nuttere nutste
partitief nuts nutters -

Bijvoeglijk naamwoord

nut [5]

  1. voordeel opleverend, nut afwerpend
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
nutten

nut

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van nutten
  2. gebiedende wijs van nutten

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie


Verwijzingen


Engels

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nut nuts

Zelfstandig naamwoord

nut

  1. (plantkunde) noot
  2. (werktuigbouwkunde) moer