goesting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • goes·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord goesting goestingen
verkleinwoord goestingske goestingskes

Zelfstandig naamwoord

goesting v

  1. zin, trek, verlangen
     De school is nog maar 3 weken bezig met het project, maar merkt nu al een grote impact: “Ik merk een enorme goesting bij de kinderen”, zegt Ronsijn tevreden. “Ik merk dat er heel veel zin is om aan de slag te gaan, en dat bij een doelgroep die normaal gezien niet zo gemotiveerd is om naar school te komen en te studeren.[4]
     Natuurlijk, ik hou van de verfijnde Franse keuken en de pure Nordic kookstijl vind ik interessant, maar wat me echt opwindt en de goesting aanwakkert, zijn gerechten waarin kruiden en specerijen smaakbepalend zijn.[5]
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

73 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. goesting op website: Etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. "goesting" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 18 oktober 2020 Weblink bron VRT NWS “Gentse school werkt leerachterstand weg bij jongeren via computerspel in naschools programma” (25 september 2020) op vrt.be
  5. Bronlink geraadpleegd op 19 oktober 2020 Weblink bron Hassnae Bouazza “Thuiskok. Pit” (21 januari 2019) op nrc.nl
  6. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be