zinsverbijstering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zins·ver·bijs·te·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zinsverbijstering zinsverbijsteringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zinsverbijstering v [1]

  1. (medisch) tijdelijke periode van waanzin
    • In een vlaag van zinsverbijstering sprong de man het veld op en wist hij de vijandelijke doelpoging te verijdelen met een prachtige sliding tackle. En hij had ondertussen ook nog zijn medische tassen vast! [2] 
    • De echtgenoot van de vrouw trof het drietal dinsdagavond aan. Justitie stelde dat de zelfmoorden plaatsvonden uit „collectieve zinsverbijstering.” [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

68 % van de Nederlanders;
91 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen