want

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Rechts: het staand want ter stabilisatie van de mast
Het lopend want voor het hijsen van de zeilen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • want
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] Van Frankisch want, vanwaar Frans gant
  • [3] Afgeleid van want (2.) op basis van gelijkenis
enkelvoud meervoud
naamwoord want wanten
verkleinwoord wantje wantjes

Zelfstandig naamwoord

want

  1. v/m: (kleding) handschoen waarbij alle vingers, behalve de duim in één ruimte zitten
  2. o: (scheepvaart) de lijnen of staalkabels aan stuur- en bakboord, die een mast overeind houden (staand want), en het touwwerk om de zeilen te zetten (lopend want)
    • De voor- en achterstag rekent men gewoonlijk niet tot het want. 
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
kordaat optreden, van aanpakken weten
Vertalingen

Voegwoord

want

  1. geeft nevenschikkend een reden aan.
    • Opm.: ‘want’ kan niet aan het begin van de zin geplaatst worden. 
    • Ik wil een biertje, want ik heb dorst. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
wannen

want

  1. tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
    • Jij want. 
  2. derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van wannen
    • Hij want. 
  3. verouderde gebiedende wijs meervoud van wannen
    • Want! 

Werkwoord

vervoeging van
wanten

want

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van wanten
  2. gebiedende wijs van wanten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Engels

Uitspraak
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Middelengelse wanten.
vervoeging
onbepaalde wijs to want
he/she/it wants
verleden tijd wanted
voltooid
deelwoord
wanted
onvoltooid
deelwoord
wanting
gebiedende wijs want

Werkwoord

want

  1. willen
    «What do you want to eat?»
    Wat wil je eten?