onderwerpszin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • on·der·werps·zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord onderwerpszin onderwerpszinnen
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

onderwerpszin m

  1. (grammatica) bijzin die het subject van de hoofdzin vormt
    • Wat hier voor de komma staat, is een voorbeeld van een onderwerpszin. 
    • Boutens verandert de gewone grammaticale volgorde, zonder overigens tegen de grammatica te zondigen. Dat geldt hier voor de onderwerpszin en de hoofdzin (niet "wie de dauw proefde, zal nimmermeer weten", maar "die zal nimmermeer weten, die de dauw proefde"), voor de genitief (niet "het medelijden der goden" maar "der goden medelijden") en voor de plaats van de persoonsvorm in de onderwerpszin (niet "die de dauw proefde" maar "die proefde de dauw"). Herschrijven we de strofe in vereenvoudigde vorm, dan staat er dit: Wie op sterflijke lippen de dauw van het medelijden en de genade der goden proefde, diens hart zal nooit de bitterheid van de wanhoop weten. [2]

Gangbaarheid

Verwijzingen