zachtzinnig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zacht·zin·nig
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstellende afleiding van zacht en zin met het achtervoegsel -ig
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zachtzinnig zachtzinniger zachtzinnigst
verbogen zachtzinnige zachtzinnigere zachtzinnigste
partitief zachtzinnigs zachtzinnigers -

Bijvoeglijk naamwoord

zachtzinnig

  1. niet al te ruw, de dingen ontziend
    • Hij is wel érg zachtzinnig, hoor. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.