zinnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinnen
/'zɪnə(n)/
zon
zɔn
gezonnen
ɣə'zɔnə(n)
1. klasse 3 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
zinnen
/'zɪnə(n)/
zinde
/'zɪndə/
gezind
/ɣə'zɪnt/
2. zwak -d volledig
Uitspraak
Woordafbreking
  • zin·nen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

zinnen

  1. inergatief de gedachten ergens over laten gaan
    • Hij zon op wraak. 
  2. (onpersoonlijk) in de smaak vallen
    • Dat zinde hem helemaal niet. 
Hyponiemen
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

zinnen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord zin

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen