zinsmelodie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zins·me·lo·die
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zinsmelodie zinsmelodieën
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zinsmelodie v [1]

  1. (taalkunde) verloop van de toonhoogte bij het uitspreken van een zin
    • Verslaggevers spraken in de jaren vijftig met een dusdanig heftig op en neer golvende zinsmelodie dat daarmee de ouderdom onmiddellijk duidelijk zou zijn geworden. Dus moesten al die zinsmelodieën met de computer gelijkgetrokken worden. [2] 
    • Ook het proza van de roman kan poëzie zijn, betoogt Kundera in een polemisch essay over een aantal Franse vertalingen van een zin van Kafka: niet door mooie beelden of klanken die de lezer verleiden en benevelen, maar door de ritmische herhaling van kernbegrippen, de aandacht voor zinsmelodie en het gebruik van krachtige beelden die niet louter expressief zijn, maar waarin een bepaalde existentiële situatie is samengebald. [3] 
Synoniemen
Verwante begrippen


Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Marc van Oostendorp 13 juni 2006 Het taalgezag van de nieuwslezer
  3. NRC Martin de Haan 29 juli 2011 Verlost van de rozen