smaakzin

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

de smaakpapil is het zintuig voor de smaakzin
Uitspraak
Woordafbreking
  • smaak·zin
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord smaakzin
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

smaakzin m [1]

  1. vermogen van een organisme om bepaalde chemische samenstellingen direct, als smaken, waar te nemen
    • Het berkenpollenseizoen duurt gewoonlijk van eind maart tot begin mei. Personen met een berkenpollenallergie, ongeveer 13 procent van de Belgen, heeft dan last van ongemakken als jeuk, rode en tranende ogen, niesbuien, een verstopte- of loopneus en het verlies van reuk- en smaakzin.[2] 
    • En dat is nodig, want mannelijke sushichefs hebben liever geen vrouwen in hun keuken. Zo liet Yoshikazu Ono, zoon van driesterrenchef en sushimeester Jiro Ono, in 2011 nog optekenen door The Wall Street Journal dat vrouwen nooit op hetzelfde niveau kunnen staan als mannen omdat hun menstruatiecyclus hun smaakzin aantast.[3] 
    • Volgens een Amerikaanse studie verandert cafeïne onze smaakzin, waardoor we niet alleen meer zin in zoet krijgen, maar er ook meer van genieten.[4] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen