trek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord trek trekken
verkleinwoord trekje trekjes

Zelfstandig naamwoord

trek m

  1. iets dat iemand karakteriseert
    • Dat is echt een trekje van die familie 
  2. (biologie) de reis die een soort afhankelijk van de seizoenen aflegt (migratie, trektocht)
    • De trek is nog niet begonnen. 
  3. verlangen naar eten
  4. tocht, luchtstroom
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
trekken

trek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trekken
    • Ik trek. 
  2. gebiedende wijs van trekken
    • Trek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trekken
    • Trek je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl