animo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ani·mo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord animo
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

animo o

  1. het zin hebben in
    Hij heeft daar helemaal geen animo in.
    Er was geen animo voor deze reis.
Vertalingen

Meer informatie


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
animar

animo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van animar