animo

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ani·mo
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord animo
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

animo o

  1. het zin hebben in
    Hij heeft daar helemaal geen animo in.
    Er was geen animo voor deze reis.
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
95 % van de Vlamingen.


Spaans

Werkwoord

vervoeging van
animar

animo

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd (presente) van animar