sábado

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Galicisch

Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse sabbatum (zaterdag, sabbat).

Zelfstandig naamwoord

sábado m

  1. zaterdag


Dagen in het Galicisch
luns
maandag
martes
dinsdag
mércores
woensdag
xoves
donderdag
venres
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag



Portugees

Woordafbreking
  • sá·ba·do
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse sabbatum (zaterdag, sabbat).

Zelfstandig naamwoord

sábado m

  1. zaterdag


Dagen in het Portugees
segunda-feira
maandag
terça-feira
dinsdag
quarta-feira
woensdag
quinta-feira
donderdag
sexta-feira
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag



Spaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈsaβ̞aðo/
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse sabbatum (zaterdag, sabbat).
enkelvoud meervoud
sábado sábados

Zelfstandig naamwoord

sábado m

  1. zaterdag


Dagen in het Spaans
lunes
maandag
martes
dinsdag
miércoles
woensdag
jueves
donderdag
viernes
vrijdag
sábado
zaterdag
domingo
zondag