weekend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • week·end
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘zaterdag en zondag’ voor het eerst aangetroffen in 1920 [1]
  • Van het Engelse weekend.
enkelvoud meervoud
naamwoord weekend weekenden
weekends
verkleinwoord weekendje weekendjes

Zelfstandig naamwoord

weekend o

  1. (tijdrekening) de periode van vrijdagavond tot en met zondagnacht
     Koning Willem-Alexander en koningin Máxima waren afgelopen weekend in Terneuzen. De koning gaf het startschot voor de viering van 75 jaar vrijheid. Want dit jaar is het 75 jaar geleden dat Nederland bevrijd werd.[2]
     ‘Ik ben op weg naar een huisje op een vakantiepark in Venlo, een weekendje weg met ons gezin, mijn ouders en mijn zus. Dat doen wij een keer per jaar, en dit was al een half jaar van tevoren gepland. We hebben ervoor gekozen om het toch door te laten gaan. Er is daar ruimte en groen, het is geen massale mensenmassa waarin we ons begeven. We zien wel wat er daar nog open is. En dit weekend is belangrijk voor ons, er worden al zo veel leuke dingen afgelast.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "weekend" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink Weblink bron nieuwsbegrip.nl “75 jaar vrijheid in Nederland” (2-9-2019), CED-groep
  3. Bronlink Weblink bron Charlotte Huisman “Wie neemt er nog de trein op een stil Utrecht Centraal?” (13 maart 2020), de Volkskrant
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Zelfstandig naamwoord

weekend

  1. weekend


Papiamento

Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Engelse of Nederlandse weekend.
enkelvoud of
impliciet meervoud
expliciet meervoud
  weekend     weekendnan  

Zelfstandig naamwoord

weekend

  1. weekend, weekeinde.
Schrijfwijzen
  • Schrijfwijze op Bonaire en Curaçao: wikènt.