sabbat

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sab·bat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sabbat sabbatten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

sabbat m

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) zevende dag van de week, zaterdag, joodse rustdag (111×: Ex. 16:23 +, Lev. 16:31 +, Num. 15:32 +, Deut. 5:12 +, 2 Kon. 4:23 +, Jes. 1:13 +, Jer. 17:21 +, Ez. 46:1 +, Hos. 2:13, Am. 8:5 +, Ps. 92:1, Klaagl. 2:6, Neh. 9:14 +, 1 Kron. 9:32 +, 2 Kron. 23:4 +; ook 55× in NT), van vrijdagavond tot zaterdagavond, als rustdag die gewijd is aan de verering van God[4]
  2. (meer algemeen:) rustdag, rusttijd[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Middelnederlandsch Woordenboek
  2. etymologiebank.nl
  3. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  4. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  5. Woordenboek der Nederlandse taal