sabato

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Esperanto

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
nominatief   sabato     sabatoj  
accusatief   sabaton     sabatojn  

Zelfstandig naamwoord

sabato

  1. zaterdag


Dagen in het Esperanto
lundo
maandag
mardo
dinsdag
merkredo
woensdag
ĵaŭdo
donderdag
vendredo
vrijdag
sabato
zaterdag
dimanĉo
zondag


Glosa

Uitspraak
  • IPA: /sɑˈbɑtɔ/
Woordherkomst en -opbouw

sabato

  1. zaterdag
  2. sabbat
Schrijfwijzen
Synoniemen


Dagen in het Glosa
Genummerd
Traditioneel

di bi
luna-di
maandag
di tri
mars-di
dinsdag
di tetra
merkuri-di
woensdag
di penta
bronto-di
donderdag
di sixa
veneri-di
vrijdag
di seti
sabato, satura-di
zaterdag
di mo

zondag


Italiaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • sa·ba·to
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontstaan uit het christelijk-Latijnse sabbatum (zaterdag, sabbat).
enkelvoud meervoud
sabato sabati

Zelfstandig naamwoord

sabato m

  1. zaterdag


Dagen in het Italiaans
lunedì
maandag
martedì
dinsdag
mercoledì
woensdag
giovedì
donderdag
venerdì
vrijdag
sabato
zaterdag
domenica
zondag