sonde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
[2] Voeding via een maagsonde (bedekte ogen ivm privicy)
[3] De sonde Galileo bij Jupiter.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • son·de
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘peilstift’ voor het eerst aangetroffen in 1865 [1]
  • Via het Franse sonder van het Latijnse subandare [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord sonde sondes
verkleinwoord sondetje sondetjes

Zelfstandig naamwoord

sonde m

  1. (techniek), (medisch) een peilstift om een moeilijk toegankelijke ruimte binnen een lichaam te verkennen, of om er gegevens op te nemen
  2. (medisch) een instrument om voeding in vloeibare vorm toe te dienen
  3. (astronomie) een onbemand ruimtevaartuig voor de ruimteverkenning
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord sonde sondes

Zelfstandig naamwoord

sonde

  1. sonde
  2. zonde


Frans

Une sonde d'oscilloscope
Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  sonde     la sonde     sondes     les sondes  

Zelfstandig naamwoord

sonde v

  1. (techniek), (elektronica): meetpen, meetkop, testpen


Surinaams

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

sonde

  1. zondag


Dagen in het Surinaams
munde
maandag
tudewroko, dinsdag
dinsdag
dridewroko, woensdag
woensdag
fodewroko, donderdag
donderdag
freida
vrijdag
satra, sabat, sabatdei
zaterdag
sonde
zondag