vast

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen vast vaster (vastst) *
verbogen vaste vastere (vastste) *
partitief vasts vasters -

Bijvoeglijk naamwoord

vast

  1. stevig
    • De vaste verbinding moest met een zaag weer losgemaakt worden. 
  2. permanent
    • Er is een vaste oeververbinding, zodat auto's makkelijk op en neer kunnen rijden. 
  3. (thermodynamica) kristallijn of amorf
    • IJs is de vaste vorm van water. 
Opmerkingen
  • Omdat "-stst" moeilijk is uit te spreken en te verstaan kan voor de overtreffende trap beter de omschrijving "meest vast(e)" worden gebruikt.[1][2]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Bijwoord

vast

  1. niet los, stevig bevestigd
    • Dat deel is er vast aan verbonden. 
  2. niet los te krijgen, muurvast
    • Die schroef zit vast en zullen we op een andere manier los moeten maken. 
  3. hoogstwaarschijnlijk
    • Die zit vast zonder geld. 
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Dat staat zo vast als een huis.
Dat is volkomen zeker.
  • vast en zeker
zeer waarschijnlijk
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vasten

vast

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van vasten
  2. gebiedende wijs van vasten

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen