vastpakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·pak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastpakken
pakte vast
vastgepakt
zwak -t volledig

Werkwoord

vastpakken

  1. overgankelijk iets of iemand grijpen en vasthouden
    • Hij had het kind stevig in zijn armen vastgepakt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.