bevestigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • be·ves·ti·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
bevestigen


bevestigde


bevestigd


zwak -d volledig

Werkwoord

bevestigen

  1. (ditransitief) iemand mededelen dat iets zoals gevraagd is of verondersteld wordt
    Van zijn moeder konden we het verhaal van deze jongeman bevestigd krijgen.[1]
  2. (overgankelijk) vastmaken
    Het uithangbord werd met een metalen beugel aan de voorgevel bevestigd.
  3. (overgankelijk) overtuigender maken
    De politieagent kon het verhaal van mijn zoontje bevestigen.
  4. (overgankelijk) iemand plechtig in een rang of waardigheid installeren
    Hij is opnieuw bevestigd in zijn ambt.
  5. (overgankelijk), (religie) een huwelijk ~: een huwelijk kerkelijk inzegenen
    Het huwelijk wordt volgende week zondag bevestigd.
Synoniemen
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Verwijzingen
  1. Politie IJsselland