vastzetten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastzetten
zette vast
vastgezet
zwak -t volledig

Werkwoord

vastzetten

  1. overgankelijk iets zodanig zetten dat het niet meer bewegen kan
    • Bij het aanmeren van het schip moest men eerst het schip vastzetten voordat men kon overladen. 
  2. overgankelijk (financieel) geld op een spaarrekening zetten voor een bepaalde tijd waarbij men niet vrijelijk over het geld kan beschikken
  3. overgankelijk iemand in een gevangenis opsluiten
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vastzetten

vastzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van vastzetten
    • ...dat wij vastzetten. 
    • ...dat jullie vastzetten. 
    • ...dat zij vastzetten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen