houvast

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hou·vast
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord houvast houvasten
verkleinwoord houvastje houvastjes

Zelfstandig naamwoord

houvast o

  1. voorwerp waaraan men zichzelf of een zaak vast kan houden
     Het probleem was echter dat de boom meer dan vier meter boven een kolkende rivier hing en ik totaal geen houvast zou hebben tijdens het overbruggen van de zes meters die me van de overkant scheidden.[4]
  2. (bouwkunde) zware kram met een wigvormige punt aan beide uiteinden, waarmee constructiedelen worden vastgezet
Hyponiemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[5]
De schrijfwijze "holvast" werd in dit onderzoek door 50 % van de Nederlanders en 48 % van de Vlamingen herkend, hoewel dit nooit een officiële spelling is geweest. Het gaat hier om een uitspraakvariant in verschillende streektalen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  3. houvast op website: Etymologiebank.nl
  4. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be