vaste

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vas·te

Bijvoeglijk naamwoord

vaste

  1. verbogen vorm van de stellende trap van vast

Werkwoord

vervoeging van
vasten

vaste

  1. aanvoegende wijs van vasten

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.


Afrikaans

Bijvoeglijk naamwoord

vaste

  1. attributieve vorm van vas