vastleggen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·leg·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastleggen
legde vast
vastgelegd
zwak -d volledig

Werkwoord

vastleggen

  1. (overgankelijk) bewaren van gegevens
    Hij had het ongeluk op film vastgelegd.
  2. (overgankelijk) ervoor zorgen dat iets vastzit aan iets anders
    Je kunt de hond beter vastleggen voordat je de winkel ingaat.
  3. (wederkerend) een contract aangaan
    De jonge voetballer had zich vastgelegd om de komende tien jaar bij de profclub te blijven.
Synoniemen
Vertalingen