vastgrijpen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vast·grij·pen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
vastgrijpen
greep vast
vastgegrepen
klasse 1 volledig

Werkwoord

vastgrijpen

  1. (overgankelijk) iets stevig in de handen pakken
    Uzzia greep de Ark des Verbonds vast en werd op slag gedood.
  2. (wederkerend) zich ~ aan: zich verankeren door iets stevig beet te pakken
    Zij trachtten zich eraan vast te grijpen, maar de stroming was te sterk.
Vertalingen